De Kabeljauw in de Noordzee, het Skagerrak & het Kattegat

De kabeljauw of gul in de Noordzee luistert naar de mooie naam Gadus Morhua Morhua. De ondersoort in de Oostzee schijnt Gadus Morhua Callarias te heten. IJsland, Noorwegen en Spanje vangen de meeste gul, maar ook Engeland en Denemarken doen flink mee. In 1968 werd er in de gehele noordelijke Atlantische Oceaan met aangrenzende zeegebieden nog 4 miljoen ton gevangen. Maar in 2004 was dat minder dan 1 miljoen ton. De bestanden zijn sterk afgenomen. De oorzaak ligt niet alleen in overbevissing maar komt ook door andere factoren zoals de afname van de voedselrijkdom. Het water is schoner geworden (minder fosfaten) en er worden reusachtige hoeveelheden aasvis als sprot en zandspiering t.b.v. de vismeelindustrie weggevangen. Bovendien zijn klimatologische wijzigingen van invloed (toename van de watertemperatuur) In de jaren 1970 tot 1982 werd alleen in de Noordzee nog ca. 350.000 ton/jaar gevangen. Begin 2001 werd het bestand daar aan geslachtsrijpe gul geschat op nog maar 38.000 ton! Men neemt aan dat 70.000 ton het minimale bestand is om de soort te kunnen behouden en pas bij 150.000 ton uit de gevarenzone is. In 2001 werd slechts 30.000 ton gevangen maar dat is wel een reuzenhap uit het overgebleven kleine bestand! Serieuze bezorgdheid over het voortbestaan van de soort als commercile vis is dus zeer gerechtvaardigd. In Canada is sinds 1992 een absoluut vangstverbod maar het is nog steeds (14 jaar later) niet waarneembaar dat de soort zich daar herstelt. En deze ellende strekt zich uit tot voor de kusten van Groenland. Ook daar heeft zeer recent onderzoek uitgewezen dat de gulstand nog steeds niet is verbeterd. In 2005 heeft de EU met Noorwegen afgesproken zodanige maatregelen te nemen dat het bestand aan geslachtsrijpe gul weer kan toenemen tot minimaal 150.000 ton. Eerdere maatregelen hebben echter niet tot een waarneembare verbetering geleid. Op de Noordzee wordt in internationaal verband, maar ook op landelijk niveau, zeer veel onderzoek gedaan naar de vistand en de ecosystemen. Op grond daarvan wil men een beheersbeleid vaststellen. Het nauwkeurig vaststellen van de hoeveelheden vis en de invloeden daarop is zeer moeilijk. Ook zijn er steeds weer veranderingen van jaar tot jaar. Soms is er opeens een goede jaarklasse jonge vis en dan opeens weer een hele slechte. Wij vissers weten dat maar al te goed: waar je vorig jaar goed ving, vang je vandaag geen staart en Joost mag weten waarom! Toch zijn er door de mens wel degelijk omstandigheden te scheppen die een betere gulstand bevorderen.

De informatie in dit artikel is gebaseerd op vangstgegevens uit de beroepsvisserij en de resultaten van visserijkundig onderzoek, oa. van het International Council for the Exploration of the Sea.

plaatje niet gevonden

Verspreiding van de gul in de Noordzee
De kabeljauw komt voor in ondiepe kustwateren maar ook in diep water tot 500 mtr. Gul (kabeljauw kleiner dan 70 cm) werd relatief veel gevangen in de oostelijke Noordzee, de Duitse Bocht en het Kattegat. (zie donkere gedeelten plaatje links) In het eerste kwartaal van het jaar zijn de grotere gullen meer gelijkmatig verspreid over het gehele zeegebied om in het derde kwartaal meer naar het noorden te trekken.
Paaien:
De eieren en de larven van de gul zijn moeilijk te onder- scheiden van die van de schelvis. Lange tijd waren daarom de paaigebieden niet goed bekend. DNA-onderzoek zuidwesten van Helgoland (zo'n 15 tot 45 zeemijl pal noord van de Duitse van de larven in 2004 doet vermoeden dat de Doggersbank en het gebied ten waddeneilanden Juist en Norderney) belangrijke paaigebieden zijn.


plaatje niet gevonden

De paai heeft in de zuidelijke Noordzee het hoogtepunt in de laatste week van januari tot half februari. Daarna vertrekken ze hopelijk full-speed naar de Eems om zo snel mogelijk in onze visboten te belanden. In het noordelijk deel van de Noordzee is dat hoogtepunt van de paai in april.

Groei:
Na het ei- en larvestadium zwerft het jonge broed eerst een paar maanden pelagisch (tussen oppervlak en bodem) om daarna aan een bodemleven beginnen. Ze zijn dan ongeveer 7 cm lang. In juni /juli worden de larven vooral aangetroffen in de noordelijke Noordzee maar ook in de ondiepe kustwateren (o.a. de wadden) komen ze waarschijnlijk in relatief grote aantallen voor (daarover zijn echter geen gegevens bekend). Eenjarige gul blijkt zich de laatste jaren steeds meer te concentreren in de Noordzee ter hoogte van Noord-Jutland, in het Skagerrak en in het Kattegat. De groeisnelheid is afhankelijk van het leefgebied en uiteraard de omstandigheden. In de zuidelijke Noordzee is de groei iets sneller, maar in het noordelijk deel worden de vissen uiteindelijk wat groter. Het bestand in de Noordzee bestaat hoofdzakelijk uit 1- en 2 jarigen (20-40 cm). In het Skagerrak en het Kattegat zijn relatief veel 1 jarigen. Vissen ouder dan 10 jaar (meer dan 1 mtr) worden tegenwoordig hoogst zelden gevangen. Die behoorden 25 jaar geleden tot de normale vangst. De figuur onder toont de lengte per levensjaar. Horizontaal de leeftijd, verticaal de lengte in cm Vrouwtjes (getrokken lijn) zijn iets groter dan mannetjes. Te zien is dat een gul van 3 jaar ongeveer 45 cm lang is. In het Skagerrak en het Kattegat komt relatief meer kleine gul voor dan in de Noordzee.

plaatje niet gevonden

De verhoudingen zijn ongeveer:

                                        Skagerrak/Kattegat     Noordzee
1gul van 40 cm op     5 stuks van 20 cm       1 op 2 van 20 cm
1gul van 50 cm op     12 stuks van 20 cm     1 op 4 van 20 cm
1gul van 60 cm op     20 stuks van 20 cm     1 op 7 van 20 cm
1gul van 70 cm op     50 stuks van 20 cm     1 op 8 van 20 cm

Voortplanting:
Een deel van de kabeljauw is al vroeg geslachtsrijp. Het lijkt of met het afnemen van het bestand de vissen eerder geslachtsrijp worden. Na 2 jaar is 25 % geslachtsrijp. Ze hebben dan een lengte van 35-40 cm. Vandaar de minimummaat van 38 cm. De meeste vroegrijpe jongens en meisjes kunnen dan één keer vrijen voordat ze worden gevangen. Het resultaat van deze jongeren-sex is zoals meestal: veel rumoer in t’ water en weinig kroost voor later. Mannetjes (stippellijn) zijn iets eerder geslachtsrijp dan vrouwtjes.

plaatje niet gevonden

Voedingspatroon:
1 - commerciële vis
2 - niet commerciële vis
3 - wormen en zagers
4 - schaaldieren en krabben
5 - ander voedsel
-horizontaal de lengte in cm
-verticaal percentage

samenstelling voeding
Bij een lengte van 7 cm leven ze voornamelijk op de bodem en voeden zich daar hoofdzakelijk met kleine schaaldieren en krabbetjes (gebied 4 in de figuur). Tijdens de groei neemt de voorkeur voor vis steeds meer toe (gebied 1 in de figuur) Grotere exemplaren vang je dan ook meestal aan de pilker. Ze hebben een voorkeur voor vis met een lengte van ca. 20 % van hun eigen lichaamslengte. De maximale prooi is ca. 70 % van de eigen lengte. Ze jagen steeds meer op vissoorten die voor de mens van commercieel belang zijn zoals schelvis, wijting, koolvis, zandspiering en platvis. Maar ook de eigen familie is zeer in trek. Het menu van gul met een lengte van 70 cm bestaat voor bijna 60 % uit vis die voor de mens van commerciëel belang is en voor ca. 15 % uit schaaldieren en krabben. Gul is dus een echte roofvis. Maar zelf worden ze ook massaal gegeten door andere vissen en vogels. Maagonderzoek heeft geleerd dat van elke 100 gesneuvelde gulletjes in de lengteklasse 10 - 25 cm er 17 stuks door vogels zijn opgepeuzeld, door de grauwe poon 45, door de wijting 10, door roggen 4 en door soortgenoten 3. Door andere oorzaken verdwijnen er dan nog 21 stuks. De grootste boosdoener voor de vissen van de klasse 20 - 40 cm is de menselijke visserij . Dat veroorzaakt 62 van de 100 sterfgevallen. Het kannibalisme van de ooms en tantes is goed voor 7 van de 100 verdwenen gulletjes.

Peter Meulenberg 59

Deutsche Fischerpruefung

Appie LÖhr heeft uitgebreide internationale contacten en door zijn initiatief hebben afgelopen herfst 15 Zeenonners deel kunnen nemen aan de Vorbreitungslehrgang zum ablegen der Deutsche Fischerpruefung. Appie had het goed georganiseerd via

Palingsteken

Omstreeks 1900 was de aal in Europa nog volop aanwezig. In Denemarken, o.a. in de Isefjord, een relatief kleine en ondiepe fjord met kristalhelder water op het eiland Seeland,

Wandelende Wrakken

Dat een wrak door zijn gewicht alleen maar langzaam naar beneden in de zeebodem zakt is beslist niet waar. Door wisselende getijdenstromen wordt onder en rondom een wrak het zand weggespoeld en opgehoopt. Er ontstaan kolken, slijtgeulen en oneffenheden.